//

Pandemie op je bord, de start van een nieuw sociaal contract?

Start

Een artikel over zoönosen, ons voedsellandschap en Machiavellistische ‘Virtù’. Verschenen in  Phronèsis, vakblad voor Toegepaste Filosofie.

Potentiële rampen en dreigingen

In 2016 verscheen het Nationaal Veiligheidsprofiel; “Een All Hazard overzicht van potentiële rampen en dreigingen die onze samenleving kunnen ontwrichten.” In dit rapport is verkend hoe groot de kans is op rampen als bijvoorbeeld zonnestormen, cyberaanvallen en stralingsongevallen. Ook de kans op zoönosen en humane infectieziekten is geïnventariseerd.

In 2016 schreef men dat de kans op ernstige humane infectieziekten geschat werd op 20% in de daaropvolgende vijf jaar. Het coronavirus is in dit rapport al met naam genoemd. De Nationale Veiligheidsraad heeft de komst van een pandemieverzoorzaker als Covid-19 dus al keurig voorspeld, en daar zijn ook maatregelen op genomen. Of die maatregelen voldoende waren is een discussiepunt, en de impact op onze voedselsituatie is nogal summier beschreven.

Meer zoönosen: onvermijdelijk

Het coronavirus is een infectieziekte met een veronderstelde zoönotische (dierlijke) oorsprong. Deze keer ontstaan in China, waar veel (semi) wilde dieren worden geconsumeerd. (Overigens is dit inmiddels aan banden gelegd). Maar het kan net zo goed ontstaan in Nederland, sterker nog, in het Nationaal Veiligheidsrapport is de zeer waarschijnlijke verwachting uitgesproken dat wij opnieuw te maken krijgen met zoönose, omdat Nederland een buitengewoon hoge veedichtheid heeft. Eerder leidde dit al tot o.a. Q-koorts en vogelgriep.

Kwetsbare voedselketen

Wat in alle scenario’s uit het Nationaal Veiligheidsrapport blijmoedig overeind blijft, is de verwachting dat er geen gebrek aan primaire levensbehoeften ontstaat. Oftewel, er blijft voldoende water, voedsel en lucht.

Toch zijn er behoorlijke barsten zichtbaar in ons voedselsysteem. De coronacrisis onthult kwetsbaarheden die niet eerder, en zeker niet in samenhang met elkaar, zichtbaar zijn gemaakt. In Nederland worden noodkreten geslaakt vanwege, bijvoorbeeld, onverkoopbare aardappels. Niet omdat die opeens zijn bedorven, maar omdat horeca- en exportorders zijn geannuleerd. Er is minder vis beschikbaar omdat de vloot niet uitvaart. Er staan containers met voedsel te vergaan omdat er geen mensen beschikbaar zijn om te lossen. Oogsten kunnen niet van het land worden gehaald, omdat er onvoldoende arbeiders beschikbaar zijn. Het gebrek aan arbeidskrachten is zelfs zo nijpend, dat Land- en Tuinbouw organisatie LTO een taskforce arbeid heeft ingesteld. Ook de Voedselbanken kampen met problemen, niet alleen omdat er meer mensen een beroep op doen maar ook doordat er gaten in de aanvoer vallen en veel vrijwilligers niet meer kunnen komen helpen. Een aantal Voedselbanken heeft daardoor haar deuren moeten sluiten, anderen werken met tegoedbonnen of andere noodoplossingen.

Wereldwijd zijn de problemen nog veel groter, vooral in de landen met een zwak sociaal vangnet. In Amerika hebben miljoenen mensen hun baan verloren en neemt het beroep op ‘emergency foodboxes’ toe met alarmerende snelheid. In de landen waar het merendeel van de bevolking leeft van een dagloon, zitten mensen verplicht thuis zonder geld, zonder eten en zonder overheidssteun.

Tegelijkertijd worden er massaal dieren afgemaakt en vernietigd omdat er te weinig mankracht is voor de slacht, verwerking en transport. Tonnen melk worden gedumpt, duizenden eieren kapotgeslagen. Oogsten worden vernield omdat ze onverkoopbaar zijn geworden. Of er worden mensen, letterlijk, ingevlogen om de oogst te redden; Roemeense seizoensarbeiders halen in de UK de gewassen van het land en in Duitsland mogen 40.000 mensen per maand, veelal uit Oost-Europa,  het land in om boeren en tuinders te helpen.

Voedsellandschap onder de loep

Er is slechts één ramp nodig om een onthutsend beeld te tonen van ons voedsellandschap. En dan gaat het nog niet eens over een ramp waardoor ons voedsel opeens oneetbaar of water ondrinkbaar wordt. Nee, het betreft slechts een tijdelijke beperking van mobiliteit waardoor enerzijds mensen niet meer hun dagelijkse brood kunnen verdienen, en waardoor anderzijds voedsel niet verwerkt en afgezet wordt – en daarom maar de vuilnisbak ingaat. Inclusief dieren.

De coronacrisis is voor een deel debet aan deze bijzonder nare en alarmerende voedselsituatie, maar is vooral een vergrootglas waarmee we de extremen van ons wereldwijde voedsellandschap eens goed kunnen bekijken.

Nederland speelt hierin een bijzondere rol. Zo ligt bijvoorbeeld onze productie van kalfsvlees 743% boven het binnenlands gebruik. Vrijwel alles is dus bestemd voor de export. Opmerkelijk daarbij is dat de kalfsvleesindustrie vrijwel geheel uit Europese subsidies wordt bekostigd. De Nederlandse en Europese landbouwsubsidies zijn sowieso intrigerend; de Algemene Rekenkamer heeft becijferd dat met de EU-steun de meeste boeren in Nederland een hoger netto inkomen hebben dan het gemiddelde salaris. Dit geldt vooral voor de grotere landbouwbedrijven, kleintjes profiteren niet mee.

Autarkie

Aan de andere kant van dit intensief exporterende model staat Nederland als autarkie. Als alle grenzen langdurig dicht gaan en ieder land exportbeperkingen oplegt, zowel voor personen als voor goederen, dan krijg je een heel ander wereldbeeld. En ook een andere maaltijd op je bord.

Honger hoef je in Nederland dan nog steeds niet te krijgen, want volgens een in 2013 verschenen rapport van Wageningen UR ‘Voedselvoorziening in Nederland onder buitengewone crisisomstandigheden’ kan Nederland als autarkie prima voorzien in voldoende voedsel voor alle inwoners. We gaan dan wel anders eten; meer aardappels, geen citrusvruchten, rijst, pasta, chocolade en wijn, maar wel volop boerenkool, wortels, kip en zuivel. Nederland zelfvoorzienend kan in principe dus wel.

Eten en ethiek

Volgens voedselethicus Michiel Korthals is goed eten een morele plicht. “Eten is nooit zomaar een individuele keuze. Alles wat op ons bord ligt, heeft consequenties voor anderen: boeren, dieren, het milieu, ontwikkelingslanden. Achter eten zitten altijd met waarden geladen beslissingen. Het gaat nooit alleen om feiten, maar ook over wat jouw normen zijn, hoe je wereldbeeld eruitziet. Eten is altijd normatief.” (uit een interview met Mac van Dinther, Volkskrant 2014)

Michiel Korthals was 21 jaar docent ethiek aan de Wageningen Universiteit en is nu Professor Philosophy of Food aan de University of Gastronomic Sciences in Italië. Hij schreef het boek ‘Goed eten, filosofie van voeding en landbouw’. In het voorwoord: “Filosofie is universeel, gericht op het hogere, weg van het alledaagse. Maar in dit boek wordt andere kost opgediend, want deze filosofie is bezig met het aardse, met eten, koken en tuinieren als zijnde essentieel voor mensen. Het hemelse zit in het aardse.”

Korthals staat niet alleen in zijn pleidooi voor beter eten.

Filosoof Martin Cohen houdt zich bezig met volksgezondheid, ethische en milieukwesties die verband houden met voedsel en schreef het boek ‘I think, therefore I eat’. Daarin beschrijft hij een ervaring die zijn blik op voeding voorgoed veranderde. Bij een bezoek aan de ananasvelden in Queensland, Australië, zag hij hoe de vruchten goed gedijden op een arme, droge zandgrond. Het verschil tussen succesvolle teelt op deze grond, en de vruchteloze omgeving van de Sahara, ligt in het flink verrijken van de bodem met allerlei voedingsstoffen. Tegelijkertijd zag Cohen hoe sommige boeren industrieel en huishoudelijk afval op de velden dumpten, van koelkasten tot motorolie. En net als de kostbare voedingsstoffen, gaat ook dat in de ananas zitten. Cohen: “Je bent wat je eet, maar je bent ook wat het eet.”

De filosoof-kok Julian Baggini, auteur van ‘The virtues of the table; how to eat and think’: “In onze geglobaliseerde wereld wordt veel van wat we eten in verre landen geteeld en verwerkt, vaak door armen. Is het mogelijk om in zo’n wereld ethisch te eten? Is lokaal kopen het antwoord als het betekent dat boeren in de ontwikkelingslanden van exportgewassen worden beroofd?

In ‘The Philosophy of Food’, onder redactie van David M. Kaplan wordt onderzocht wat de aard en betekenis van voedsel is, hoe we het ervaren, de sociale rol die het speelt, de morele en politieke dimensies ervan, en hoe we het als heerlijk of vreselijk beoordelen. Hij laat zien hoe de verschillende takken van de filosofie bijdragen aan een breder begrip van voedsel: wat voedsel is (metafysica), hoe we voedsel ervaren (epistemologie), wat smaak in voedsel is (esthetiek), hoe we voedsel moeten maken en eten (ethiek), hoe overheden voedsel zouden moeten reguleren (politieke filosofie), en waarom voedsel voor ons belangrijk is (existentialisme).

Korte keten

Michiel Korthals heeft een aantal ethische uitgangspunten geformuleerd waaraan een voedingssysteem moet voldoen. Die zijn: Kan het acht miljard mensen voeden? Is het duurzaam? Respecteert het de dieren, de boeren en het landschap? Wat doet het met de kloof tussen consument en producent? De conventionele, intensieve landbouw scoort op veel punten onvoldoende. Korthals is voorstander van een natuurinclusieve landbouw, met een nadrukkelijke inbreng van consumenten. Hij schetst een samenleving met stadslandbouw, strokenlandbouw, pixellandbouw, agro-ecologie, community landbouw, moeraslandbouw, voedselbossen… vrij vertaald: overal eetbaar groen, beheerd door en in eigendom van ‘ons allemaal’. Consumenten, boeren en andere belanghebbenden moeten samenwerken en voedselvaardigheden ontwikkelen. Beter koken en beter eten moet voedsel in de breedte een nieuwe centrale plaats in de samenleving geven. De wereldwijde extremen die we tijdens de coronacrisis zo duidelijk ervaren; dat er op sommige plekken geen (vers) voedsel meer te krijgen is en dat elders oogst wordt vernield en dieren worden vernietigd, zijn volgens Korthals te beperken door de voedselketen te verkorten. Niet van ver halen wat je ook dichtbij kunt produceren, en ook geen eten dumpen op plekken waar men beter af is met zelf produceren. Herwaardering van het lokale moet ook de relatie tussen voedselconsument en producent herstellen; weet wat je eet en waar het vandaan komt.

Sociaal contract

Door de filosofen Hobbes (1588-1679), Locke (1632-1704), Rousseau (1712-1778) en van later datum ook Rawls (1921-2002), is het ‘sociaal contract’ een term van betekenis geworden. Het sociaal contract is, kort door de bocht, de afspraak tussen burgers en machthebbers over hoe de maatschappij wordt ingericht en wat de wederzijdse rechten en plichten zijn. Zwartkijker Hobbes ging ervanuit dat de egoïstische en op conflict gerichte natuur van mensen een samenleving met één absolute heerser noodzakelijk maakt. John Locke gaat uit van wat minder zelfzuchtige motieven, maar is wel van mening dat mensen het recht hebben zich bezit toe te eigenen en dat te verdedigen. Iets wat doorklinkt in het Amerikaanse ‘stand your ground’. Volgens Locke is de samenleving gebaat bij een minimum aan toezicht en handhaving. Romanticus Rousseau is juist van mening dat de individuele vrijheid best ondergeschikt gemaakt mag worden aan het algemeen belang en collectieve vrijheid. Voor bijna tijdgenoot Rawls is een sociaal contract van belang voor het rechtvaardig verdelen van lusten en lasten, met veel aandacht voor de minst bedeelden.

Een sociaal contract is een ingewikkeld stelsel van grondwet, wet- en regelgeving, subsidies en andere ondersteuning, religieuze en culturele verworvenheden, waarden en normen. Het is interessant om nader te bekijken wie aan welke touwtjes trekt. Wie oefent invloed uit op wie en met welke instrumenten? Een ‘landkaart’ van macht en invloed kan helpen om beter te begrijpen met welk sociaal contract we leven. En dus ook waar ruimte is voor veranderingen.

Even terug naar het Nationaal Veiligheidsrapport uit 2016. Op pagina 61 staat het volgende: Nederland heeft een intensieve landbouw, een groot aantal (landbouw)huisdieren en een hoge bevolkingsdichtheid. Daarnaast neemt Nederland intensief deel aan het wereldwijde transport van mensen en dieren. Dierziekten en zoönosen zijn door de intensieve en mondiale samenleving waar Nederland onderdeel van uitmaakt niet uit te sluiten. Ook bij grote voorzorg en optimale respons zullen incidenten van landelijke omvang naar verwachting blijven optreden.

Meer dierziekten en zoönosen zijn dus een kwestie van tijd. Tel daarbij de klimaatcrisis, milieuschade door o.a. monocultuur en bestrijdingsmiddelen, de vele voedselschandalen, de kwetsbaarheid van mensen die werkzaam zijn in de voedselketen en het ellendige leven van ‘productie’dieren; wil je een leefbare wereld aan de volgende generaties nalaten dan is het onvermijdelijk om nu ons sociaal contract te herzien.

Virtù

Gelukkig hoeven we niet te wachten tot de overheid deze handschoen opneemt. Aangejaagd door de coronacrisis staan burgers, bedrijven, investeerders en anderen klaar om in een revolutionair tempo de omslag te maken naar een meer duurzame maatschappij. Het voedsellandschap dat Korthals en gelijkgestemde filosofen schetsen lijkt met een zevenmijlsstap een heel stuk dichterbij te komen. Want opeens kan het wel; rechtstreeks kopen bij de (kleine, biologische) boer, lokale producenten die samenwerken en op een groene manier thuisbezorgen, meer streekproducten in de winkel, thuis koken en samen eten, steeds betere vleesalternatieven op je bord… als we dit vasthouden hebben we in no-time een robuuster en eerlijker voedselsysteem, met een grote positieve impact op natuur, milieu, werkgelegenheid, gezondheid en dierenwelzijn.

Voorwaarde is echter wel dat een behoorlijk aantal oude contracten de versnipperaar ingaat. En dat is taaie kost, want de lobbyisten van almachtige partijen als Monsanto-Bayer en de Europese boeren koepelorganisatie Copa-Cogeca blijven onverminderd aansturen op meer vrijheid in het gebruik van pesticiden, meer export, meer expansie. Gesteund door een groot deel van de Europese subsidiegelden zijn dit partijen die lastig te bevechten zijn. Een vleugje Machiavellistische ‘virtù’: energie, intelligentie, daadkracht, de gave om situaties te beoordelen en effectief op te treden is misschien precies wat er nodig is om een nieuw sociaal contract te schrijven.

Wilma Mulder. Dit artikel verscheen in Phronèsis 10, het vakblad van de Hogeschool voor Toegepaste Filosofie.